NIEUWSBERICHT

Terug naar nieuwsoverzicht

05-12-2023

Alfred Roos - 'De samenwerking tussen beleid, uitvoering en toezicht'.

De vereniging JuristenRijk heeft mij - als nieuwe directeur van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed - gevraagd om iets te zeggen over de samenwerking tussen beleid, uitvoering en toezicht.

In de nieuwsbrief van januari kwam al een collega van een andere rijksinspectie aan het woord, Pauline den Ambtman-Verbruggen van de NVWA. Dat doet mij deugd, want ik meen na meer dan een kwart eeuw als ambtenaar wel met recht te kunnen beweren dat de organisaties die met uitvoering en toezicht belast zijn lang niet altijd de aandacht krijgen die zij verdienen. Aandacht voor beleid en wetgeving is vanuit politiek perspectief vaak interessanter dan aandacht voor uitvoering, handhaving en toezicht. Tot op het moment dat er iets misgaat, en dat gebeurt bijna altijd in de uitvoering of komt aan het licht bij toezicht. Beleid, wetgeving en politiek zijn uiteraard van belang omdat daar besluiten worden genomen en keuzes gemaakt. Maar zonder uitvoering en toezicht zijn die besluiten en keuzes tandeloos.

De samenwerking en vooral ook de wisselwerking tussen beleid, uitvoering en toezicht is onontbeerlijk voor een optimaal presterende overheid. Die wisselwerking is geen eenrichtingsverkeer. Beleid kan een mening hebben over uitvoering en toezicht, maar beleid moet ook leren van de ervaringen uit de uitvoering en het toezicht. Beleid voedt onze bewindspersonen, maar mag niet de enige bron zijn waaruit een minister of staatssecretaris put. Daartoe behoren ook uitvoering en toezicht. Misschien zelfs wel in de eerste plaats omdat daar kan worden vastgesteld of beleid en wetgeving ook daadwerkelijk bewerkstelligen wat de wetgever of een minister voor ogen heeft. Het recent gelanceerde Beleidskompas speelt daar goed op in door het belang te benadrukken van het tijdig betrekken van de uitvoering en het toezicht bij de ontwikkeling van nieuw beleid en nieuwe wetgeving.

In die samenwerkingsrelatie komt - als het over toezicht gaat - telkens de vraag naar voren over de onafhankelijkheid van het toezicht en de toezichthouder, in het bijzonder bij toezicht dat door rijksinspecties wordt uitgeoefend. Alle elf rijksinspecties maken onderdeel uit van een ministerie. En daarom raakt de discussie over onafhankelijkheid al snel aan de onderlinge verhouding tussen bewindspersoon en inspectie. Ik had daar graag iets meer over willen zeggen aan de hand van het conceptwetsvoorstel op de Rijksinspecties. Een voornemen uit het Coalitieakkoord dat dient om de onafhankelijke positie van inspecties beter te borgen. Er is op het moment dat ik dit schrijf echter nog geen voorstel beschikbaar. Ik kom daar te zijner tijd nog graag eens op terug.

Wat ik over die verhouding in meer algemene zin al wel ter overdenking kan meegeven, is het volgende. In de discussie over de onafhankelijkheid van inspecties ten opzichte van een bewindspersoon komt telkens het argument van de ministeriële verantwoordelijkheid op tafel. Als een bewindspersoon onvoldoende invloed kan uitoefenen op ‘zijn’ of ‘haar’ inspectie kan hij of zij ook niet goed verantwoording afleggen aan het parlement, zo luidt dat argument. Maar dat kun je ook omdraaien. Toezicht door een rijksinspectie zonder sturing door een minister betekent dat je de checks and balances in de boezem van de uitvoerende macht uiterst serieus neemt. Dat moet ook voor het parlement een geruststellende gedachte zijn, zeker als het toezicht betreft op de eigen organisatie van een minister of op andere organisaties binnen de uitvoerende macht. Ministeriële verantwoordelijkheid kan ook bestaan uit afstand nemen in plaats van aan de borst drukken.

 

© JuristenRijk